Overslaan en naar de inhoud gaan

Achtergrond informatie

De Oldehove met zonondergang, gezien vanaf de Grote Kerkstraat

De ontfriesing van Leeuwarden in de zestiende eeuw

Leeuwarden/Ljouwert was in de late middeleeuwen overwegend een Friestalige stad, al werd er door de komst van mensen van buiten Friesland ook sinds de vijftiende eeuw steeds meer Nederduits - de toenmalige naam van het Nederlands -  gesproken. Na het verlies van de Friese Vrijheid (1498) voltrok zich in de loop van de zestiende eeuw een ingrijpender taalverschuiving door instroom van anderstalige migranten die de bevolkingssamenstelling van de stad fundamenteel veranderde. Met de politieke integratie van Friesland in de Habsburgse Nederlanden (vanaf 1515-24 onder Karel V) groeide Leeuwarden bovendien snel uit tot het bestuurlijk en economisch centrum van het gewest. De stadsbevolking van de zestiende en zeventiende eeuw bestond voor een belangrijk deel uit mensen die van elders kwamen: uit Holland, Overijssel, Gelderland en Groningen. Elk van deze groepen bracht zijn eigen regionale variant van Nederduits mee. Het Fries verdween er als omgangstaal en werd landtaal (Jonkman 1993). 

Dat de Friestaligheid van Leeuwarden in de zestiende eeuw snel afnam, is ook uit een buitenlandse bron te halen. De Zwitserse humanist en polyglot Konrad Gessner beschreef in zijn taalkundige encyclopedie Mithridates (1555) de taalsituatie in Friesland en maakte daarin onderscheid tussen het Fries van het platteland en de taal die in de steden van Friesland werd gesproken. Voor Gessner was het al zichtbaar dat de stedelijke bevolking van Friesland varianten als Hollands en Brabants van het Nederduits sprak. Door de renaissance van taalopbouw werd er al een zekere vorm van algemeen Nederduitse geschreven. Een voorbeeld hiervan is te lezen in de geschriften van de Fries Jancko Douwama.

Jancko Douwama’s geschriften: boeck der partijen (1520)

Wat nit CAINS [Kaïns] verontschuldiging bij God betreft: ben ick een bewaerder van mijn broeder? zoo behoorden wal alle Ffursten en Heren een exempel to nemen, den heerscapije draegen en, besitten, dat se voer Godt sculdich sint antwort to gewen voer hoer vndersaten, den hoer bevoelen sint in bewaring, en woe se (sunder kentlijcke ende noetlijcke oersaeck) verslaen often laten verslaen, se sullen niet moeghen antwort gewen met CHAIJN; dan Godt wort vngetwijwelt zeer hart ende hoech eyschen van hoer het bloet van hoer scaepkens, den He hoer belast ende befoelen heft to bewaren. Dan God nam CHAIJNS antwort ende vnscult nijet voer quaet, dan straffeden sijn boesheit, seggenden: CHAIJN! dat vnsculdigen bloet dijn broders dat lecht vp der Aerden, en roept wraeck in den Hemel ouer dij. (…) Hoer goeden worden spoliert, de husen verbrant, den frouwen worden scoffert, de dochters violert, en Godtz deneren ende denarschen worden zeer quelijcken tracteert, ende tgene, waer aff se behoerden to lewen, wort hoer vntoegen en benomen; en wat al meer quaetz in sulcken handel geboert, dat weet Godt, de daer reden aff vntfangen sal, en dat vp sijn tijdt.

Onderdeel van de decentrale Republiek der Zeven Verenigde Provinciën

Friesland maakte als autonoom gewest deel uit van de Republiek der Zeven Verenigde Provinciën (1588–1795). Elk gewest had zijn eigen regionale vorm van Nederduits. Jonkman en Versloot hebben in hun studie Het Friese ‘Nederduits’ (2025) de naam ‘Fries Nederduits’ geïntroduceerd voor de Friese variant in dit veelkleurige palet. Het is de overkoepelende aanduiding voor alle Nederlandstalige stads- en plattelandsdialecten van Friesland, waaronder die van Leeuwarden en Het Bildt. Die term maakt duidelijk dat het hier gaat om een Nederlandse taal, die voornamelijk op geografisch gronden Fries wordt genoemd. Het heeft door het eigen worden als moedertaal van de stadsbewoners een Fries- regionale kleuring gekregen in uitspraak en een deel van de woordenschat. Officiële documenten werden in het algemenere Nederduits gesteld, het Fries zelf had weliswaar een bescheiden literaire traditie (Gysbert Japix), maar die stond los van de dagelijkse gesproken taal van de Leeuwarder burgerij.

In het begin van de achttiende eeuw is het begrip 'Stadsfries' voor het eerst gedocumenteerd. De rector van de Latijnse school te Dokkum en taalkundige Johannes Hilarides (ca. 1648–1726) gebruikte de term ook als geografische aanduiding: de taal die in de Friese steden — met name Leeuwarden, Sneek, Bolsward en Dokkum — gesproken werd, in onderscheid met het Landfries van de plattelandsbevolking. De stadstaal viel bij Hilarides onder het Nederduits en de spelling week hier dan ook niet van af.

De ‘stadsdichter’ Anne Jeltema publiceerde in 1768 Het vermaak der Slagterij, een kluchtig werk geschreven in een taal die hij expliciet ‘de Leeuwarder taal’ noemde. Het is een vroeg en uitzonderlijk document: Jeltema gebruikte het dialect met het expliciete doel er een vermakelijk (‘boertig’) stukje in te schrijven. Daarmee was Jeltema de eerste Nederlander die in en óver een specifiek stadsdialect schreef. Het Leewarders was in het Nederlands van die tijd gespeld: ‘it’ (het), ‘vooreerst’, ‘nog’, ‘en’ (een) en ‘mut’ alleen voor een echte ‘u’ en niet voor een stomme ‘e’ zoals ‘ikker’ en ‘isser’ (er) of ‘je’. Jeltema’s werk bleef lang een curiositeit — bewonderd als folkloristisch document, maar zelden als taalkundige bron serieus genomen. Toch laat zijn spelling zien dat hij het Leewarders als een Nederlandstalig systeem benaderde: zijn schrijfwijze sluit nauw aan bij de Nederlandse ortografische conventies van zijn tijd. 

De ontdekking van ‘de Leeuwarder taal’: Anne Jeltema en Het vermaak der Slagterij (1768)

anne-jeltema

Het Koninkrijk der Nederlanden en de opkomst van het nationaal onderwijs

Met de komst van de Bataafs-Franse Republiek (1795) en vervolgens het Koninkrijk der Nederlanden (1813) brak een nieuw tijdperk aan. De nieuwe centralistische staatsinrichting maakte een einde aan de gewestelijke autonomie. Het Standaardnederlands — zoals belichaamd door de spelling-Siegenbeek (1804) en later de spelling-De Vries en Te Winkel (1863) — werd de norm voor het openbare leven, het bestuur en bovenal het onderwijs. De invoering van de Lager-Onderwijswet van 1806 betekende dat kinderen in Leeuwarden voortaan in het Nederlands leerden lezen en schrijven. De stadstaal — het Leewarders — had hierin geen plaats. De school normeerde het kind in het Nederlands; thuis sprak men Leewarders. Wie het Leewarders wilde opschrijven — in een gedicht, een klucht of een brief — deed dat in de Nederlandse spelling. De bekende Friese schrijver Tjalling Halbertsma heeft in een tijdschrift van 1833 een brief van Nienke opgenomen. Als voorbeeld hieruit een zinsdeel: ‘(…) en dan minheer speule, en wat het raarst nog is, bij voorname luden agt en eerd wudde, maar daar het men geen verstan van.’

Opkomst Friese beweging in de negentiende eeuw

De Friese beweging in de vorm van het Selskip foar Fryske Taal- en Skriftenkennisse (opgericht 1844) richtte zich op de emancipatie en standaardisering van het Fries als gesproken maar ook als geschreven taal. Dit streven was gericht op het Landfries, de dialecten van het platteland, die als de ‘echte’, ‘zuivere’ taal golden. De stadstaal als die van Leeuwarden werd - bij gebrek aan kennis van het oudere Nederlands dat in de eeuwen ervoor in de stad werd gesproken - steeds meer als verbasterd Nederlands gebrandmerkt. De Friese beweging in de tweede helft van de negentiende eeuw definiëerde identiteit langs de lijnen van het platteland en het historische Fries; de van oorsprong Nederduitse stadstalen vielen hierbuiten.

De dialectoloog Johan Winkler uit Leeuwarden maakte vanuit deze indeling het Algemeen Nederduitsch en Friesch Dialecticon. Hierin nam hij ook zijn eigen Leewarders op als een van de Nederduitse stadsdialecten in Friesland. Hij deed dat in de vorm van een vertaling van het bijbelse gelijkenis van de verloren zoon (Lucas 15: 11-32), hieronder de eerste zes versen weergegeven.

De gelijkenis van den verlorenen zoon in den tongval van de stad Leeuwarden. 1872: 469 (In nederlandsche spelling.)

11. D'r waar 's 'n man in die hadde twiee seunen. 12. In 'e jongste fan die beide jonges seide teugen siin fader: fader! gee' mij miin part fan 't guud dat mij toekomt. In doe ferdeelde de oude man har 't guud. 13. In 'n bitsje later, doe 't de jongste al siin geld in guud bij mekaar fergaard had, is i op reis gongen nar 'n feer land, in daar het i siin guud d'r deur brocht in 'n slecht leven. 14. In doe 't i alles ferteerd hadde, kwam d'r 'n groote hongersnood in dat selde land in doe begon i gebrek te lijen.15. In hij gong heene in ferfoegde him bij ien fan 'e burgers fan dat land, in die stuurde him op siin land om op 'e bargen te passen. 16. In doe wude die sieel wel graag siin buuk fol ete met 't freten dat de bargen fratten, mar gien ieen die 't er him wat fan gaf.

De Jongfryske Mienskip (opgericht 1915) en de taalkundige herinterpretatie van het begrip ‘Stadsfries’

Een beslissende wending in de spellinggeschiedenis van het Leewarders vond plaats in de vroege twintigste eeuw, met de opkomst van de Jongfryske Mienskip onder leiding van de dichter en ideoloog Douwe Kalma (1896–1953). Kalma en zijn aanhangers wilden het Fries een ruimer gebruik in de formelere maatschappelijke sferen geven. Sommige bewegers wilden in de verruiming van het Fries ook het Stadsfries insluiten, omdat er op het Fries lijkende elementen in de stadstaal waren opgenomen. Er vond daarbij een verschuiving in de betekenis van het begrip ‘Stadsfries’ plaats. Waar Hilarides in de vroegmoderne tijd de term had gebruikt als geografische aanduiding — de taal van de steden in Friesland — gaven Friezen in de twintigste eeuw er een taalkundige inhoud aan: het Stadsfries was in hun visie een variant van het Fries, een door Nederlandse invloeden aangetaste, maar in wezen Friese taalvorm. Niet de geografische herkomst, maar de vermeende genetische verwantschap met het Fries stond voor hen voorop.

Deze herdefinitie had uiteindelijk verregaande gevolgen voor de schrijfwijze van de stadstaal. Als het Leewarders een Friese taal was, moest het ook als zodanig gespeld worden — of op zijn minst in de richting van het Fries worden gebracht. Hiermee was de kiem gelegd voor een spellingtraditie die de stadstaal niet op haar eigen taalhistorische merites beoordeelde, maar haar onderschikt maakte aan de normen van het Fries. 

De Friese spelling opgelegd: 'foor' wordt 'foar', 'feer' wordt 'fear'

De taalkundige onderbouwing van de these dat het Stadsfries een Friese taal is, werd geleverd door Goddard Gosses (1929) en in het bijzonder door Klaas Fokkema (1937), met diens proefschrift Het Stadsfries. Een van de praktische uitwerkingen van deze opvatting was later dat klankvarianten in het Leewarders die gelijkenis vertoonden met het Fries, na verloop van tijd ook als Fries werden gespeld. Zo werd de Leeuwarder uitspraak die doet denken aan het Friese 'foar' (voor) met die Friese spelling weergegeven, en evenzo 'fear' voor wat in het Nederlands 'ver' of 'veer' zou zijn. Een woord dat op een stemloze ‘g’ eindigt wordt net als in het Fries met een ‘ch’ geschreven, teruch en niet terug. De uitspraakvarianten werden als bewijs gezien van de Friese herkomst, en die herkomst legitimeerde op haar beurt de Friese spelling. Deze cirkelredenering leidde ertoe dat de spelling van het Leewarders steeds meer wegdreef van het Nederlands en toenadering zocht tot het Fries. Een van oorsprong Nederlandse stadstaal kreeg op papier een Friese gedaante die vele Leeuwarders vreemd voorkomt.

De schwa en de schrijfwijze zoals ‘ut’: een Nederlandser ‘et’ zou passender zijn

Een ander spellingkwestie die in dit kader naar voren treedt, betreft het veelvuldig gebruik van ‘u’ voor de gereduceerde klinker in woorden als ut, un, dur en su (voor ‘ze’, niet voor ‘zo’). In het gesproken Leewarders wordt dit woord uitgesproken als een onbeklemtoonde, stomme ‘e’, een geluid dat in de fonetiek de schwa wordt genoemd en in het symbool [ə] wordt aangeduid in een woord als katterig (en niet katterug). Et, een, der en se zou ook tot een juiste uitspraak leiden.

Het Woardeboek fan ut Leewarders en de keuze van de Fryske Akademy

De Fryske Akademy, het wetenschappelijke instituut voor Friese taal en cultuur, nam de beslissing de verzamelde woordenlijst in een op het Fries georiënteerde spelling uit te geven, zie bijvoorbeeld al de ‘oa’ in ‘woardeboek’ waar woordeboek hetzelfde had uitgewerkt. Natuurlijk is het uitbrengen van de lexicale beschrijving een waardevol en nuttig werk geweest, maar de keuze voor de Friese spellingsgrondslag heeft ook een keerzijde: zij plaatst het Leewarders in een Fries kader dat voor de meeste sprekers van de stadstaal vervreemdend is. De doorsnee Leeuwarder schrijft zijn taal — voor zover hij dat doet — niet vanuit het Fries, maar vanuit het Nederlands.

Pleidooi voor een op het Nederlands georiënteerde spelling — het Bildts als model

Er zijn goede argumenten voor een alternatieve benadering: een spelling van het Leewarders die zich niet op het Fries, maar op het Nederlands oriënteert. Een dergelijke keuze zou recht doen aan de historische werkelijkheid van de stadstaal, aan haar dagelijkse gebruik, en aan de taalkundige intuïties van haar sprekers.

Een instructief voorbeeld biedt het Bildts, de taal van het Bildt. Het Bildts is, net als het Leewarders, ontstaan uit migranten, in dit geval kolonisatie van ingepolderd land in de zestiende eeuw door Hollandse vestigers. Het heeft dan ook een overwegend Hollands/Nederlands karakter met Friese invloeden.

Opvallend is dat het Bildts een eigen spellingtraditie heeft ontwikkeld die nadrukkelijk op het Nederlands is gebaseerd. ’t Bildts Aigene, de vereniging die de taal van het Bildt beheert en beschrijft, hanteert een schrijfwijze die nauw aansluit bij het Nederlands, maar de eigen klankwaarden van het Bildts respecteert. Woorden worden gespeld op een manier die voor ieder die het Nederlands kent, direct leesbaar is. Dit maakt het Bildts toegankelijk voor een breder publiek en versterkt tegelijkertijd het gevoel van eigenheid — de taal heeft een eigen gezicht zonder daarvoor afhankelijk te zijn van een vreemd (Fries) referentiesysteem.

Voor het Leewarders zou een vergelijkbare aanpak een uitkomst kunnen bieden. De weg naar een toegankelijke, breed gedragen spelling voor het Leewarders is nog niet ten einde. Maar zij begint wellicht met een eerlijke erkenning van wat de stadstaal werkelijk is: geen verborgen Fries, geen beschadigd Nederlands, maar een eigensoortige taalvorm met een rijke geschiedenis — die een spelling verdient die haar eigen aard respecteert.

De twee spellingen naast elkaar voor eigen gebruik

Hieronder de Friese en de Nederlandse benadering naast elkaar (niet uitputtend). Net als de gedachten is het gebruik van beide vrij …

Kort overzicht verschil spelling (mede) klinkers tussen Het Leewarder woardeboek of op z'n Nederlands

Relevante literatuur

K. Fokkema, Het Stadsfries. Een bijdrage tot de geschiedenis en de grammatica van het dialect van Leeuwarden. Assen 1937.

Goddard Gosses, ‘It Stedfrysk.’ In: It Heitelân 11, 1929: 270-274.

Anne Jeltema, Het vermaak der Slagterij. Leeuwarden 1768.

Reitze J. Jonkman, It Leewarders: in taalsosjologysk ûndersyk nei it Stedsk yn ferhâlding ta it Nederlânsk en it Frysk yn Ljouwert. Ljouwert 1993. 

Reitze J. Jonkman en Arjen P. Versloot, Het Friese 'Nederduits'. Beknopte geschiedenis van de Nederlandse taal in Fryslân. Leeuwarden 2025

Johan Winkler, Algemeen Nederduitsch en Friesch Dialecticon. 2 dln. Den Haag 1874.

 

Deze tekst is geschreven door Reitze J. Jonkman